Remy van den Brand
Venray/Venlo - Dagblad De Limburger brengt wekelijks een serie over trends in het toerisme. Vandaag: dagattracties.
Fietsen kan altijd, bootje varen blijft leuk en een potje midgetgolf bij de boer is ook nooit weg. Maar om nou elk jaar terug te keren naar dat zelfde, dure attractiepark... die toestellen ken je nu wel. Toch moeten ook ondernemers met dagattracties geld verdienen en mensen blijven trekken. De vraag is: hoe doen ze dat? Wat kunnen we de komende jaren van de Noord-Limburgse dagattractiewereld verwachten?
Nog meer, luidt het antwoord. Ofwel uitbreidingen. Om te overleven, moeten parken gasten blijven verrassen. De meest voor de hand liggende manier om dat te doen, is uitbreiden. Maar wel ieder een andere kant op graag.
Er is al behoorlijk wat op dagattractiegebied in de regio. De Kasteeltuinen, Toverland, Klein Zwitserland, Zoo Parc, en Drakenrijk komt eraan. ,,En dat is goed'', vindt directeur van Toverland Carolien Maessen. ,,Hoe groter het aanbod, hoe meer mensen deze kant op komen. Maar het moet wel een divers aanbod zijn. Een grote trekker zou Noord-Limburg nog wel kunnen gebruiken. Dat China-themapark, waar ooit sprake van was hier in Park de Peelbergen bij Sevenum, zou een goeie zijn. En weer iets heel anders. Wij recreatieondernemers vissen toch in dezelfde vijver en die is simpelweg te klein om allemaal hetzelfde te kunnen doen.''
Toverland is één van de dagattracties die in het Noord-Limburgse te bezoeken zijn. Het park bestaat sinds 2001, beslaat achttien hectare en trekt jaarlijks honderdduizenden bezoekers. Een kaartje kost 16,75 euro per persoon. Doel voor dit jaar is een score van 350.000 gasten. Met de in juli geopende nieuwe hal en buitenspeelruimte denkt Maessen dat aantal wel te kunnen halen.
Maessen: ,,Drie jaar geleden startten we met één hal: Het Land van Toos. Toverland is een indoor-attractiepark en alle toestellen staan dus binnen. Daardoor hebben we geen last van slecht weer en kunnen we 365 dagen per jaar open zijn.'' Desalniettemin kleedde Maessen de afgelopen maanden ook de boel buiten wat aan. Er verschenen een survivalparcours en een waterplas waar kinderen met vlotten kunnen spelen. Maar daarmee is het Sevenumse park nog niet klaar. Zo groot worden speeltuin Klein Zwitserland (veertien hectare) in Tegelen en Aardbeienland (tien hectare) in Horst misschien niet, maar ook daar wordt aan uitbreiden gedacht. Ook weer om die bezoeker te blijven boeien, te blijven trekken. Zodat die niet één, maar twee of misschien wel elk jaar komt.
Grootste probleem van Klein Zwitserland is echter het geld. Natuurlijk heeft elke ondernemer geld nodig om te groeien, maar Klein Zwitserland wordt bestuurd door een stichting en maakt dus geen winst. Het park groeit daardoor minder snel dan een Toverland. Om toch te blijven boeien, organiseert de stichting verschillende, wat kleinere, activiteiten. Een schilderijententoonstelling bijvoorbeeld, of griezelwandelingen door het Natuurspeelbos.
Opvallend zijn de totaal verschillende manieren van aanpakken van de drie parken. Toverland kiest duidelijk voor attracties. Klein Zwitserland en Aardbeienland daarentegen kiezen voor meer basic vermaak. Spelen in het groen versus plukken in het groen. Ook richten ze zich op de educatie. ,,Al moet je dat niet te hard laten merken'', weet bedrijfsleider van Klein Zwitserland Rob Rambags. ,,Kinderen houden daar niet zo van.''
Voelen de twee zich wel opgewassen tegen de moderne attracties en het groeigeweld van Toverland? Ja hoor, zeggen ondernemers Rambags en Hay Soberjé van Aardbeienland volmondig. ,,We richten ons weliswaar op dezelfde doelgroep, gezinnen, maar bieden iets anders en dat is belangrijk.'' Beiden zijn er bovendien van overtuigd dat hetgeen zij bieden tijdloos is. Rambags: ,,Spelen blijft leuk. Het is iets wat iedereen in zich heeft. Zelfs volwassenen. Je moest eens zien hoe ze zich hier soms uitleven tijdens bedrijfsfeestjes.''
Volgens Soberjé hoeft het ook niet allemaal sneller en massaler. ,,Onze absolute topper is het aardbeienveld. Kinderen en volwassenen kunnen daar zelf aardbeien plukken. Meer is het niet. Maar ze vinden het geweldig.'' Belangrijk is, volgens Rambags en Soberjé, dat mensen iets kunnen dóen. Of dat nu plukken of schommelen is, dat maakt niet zoveel uit.
,,En bovendien'', zegt Soberjé, ,,heb ik zelf een mening. Ik hóud niet van grote, snelle attracties. Dus ik zal die nooit in mijn park zetten. Net als dat ik nooit in een hal ga zitten. Natuurlijk moet je weten waar de klant behoefte aan heeft. Maar daarnaast speelt de vraag: wat wil ik zelf? Daar ga je dan een beetje tussenin zitten. Hoe dan ook, mensen vinden het blijkbaar leuk om in kassen naar aardbeienplantjes te kijken, aardbeien te plukken, door het aardbeienmuseum te lopen of gewoon gezellig op het terras te zitten met een stukje aardbeienvlaai. We bestaan nu zes jaar en elk jaar krijgen we meer bezoekers. In totaal nu zo'n 25.000 per jaar. En dat worden er zeker meer. Als je maar blijft iets blijft toevoegen aan je park en kwaliteit biedt. Want natuurlijk is ook dat belangrijk.''
Bron: Dagblad de Limburger, donderdag 16 september 2004
